Prekoloniale Periode

Sinds het begin van de jaren ’90 wordt ook de oude ‘prekoloniale’ geschiedenis van Zuid-Afrika serieus genomen. Het probleem hierbij is echter dat geschiedschrijvers altijd afhankelijk blijven van bronnen. Vanaf het moment dat de Europeanen in Zuid-Afrika komen, bestaan er geschreven bronnen in het land. Voor de periode die hier aan vooraf ging zijn geschiedschrijvers afhankelijk van orale bronnen en archeologische vondsten. Het is daardoor moeilijk om precies na te gaan wat bijvoorbeeld de Khoisan een paar duizend jaar geleden precies heeft beziggehouden. Om dit zoveel mogelijk te benaderen kijken wetenschappers naar gewoonten en tradities die nu nog bestaan en vergelijken dit bijvoorbeeld met archeologische vondsten. Zo leren de eeuwenoude rotstekeningen ons iets over de Sanreligie die we vervolgens weer terugzien in de volksverhalen die ook nu nog van generatie op generatie worden doorverteld. Door middel van dit soort nieuwe kennis zien we tegenwoordig steeds beter hoe ook het verre verleden een belangrijke bijdrage aan het Zuid-Afrika van nu geleverd heeft. Zolang er geen tijdmachines bestaan is echter niets zeker!

Eerste menselijke bewoning
Zuid-Afrika is een van de eerste plekken op aarde die door mensen bewoond werd. De oudste overblijfselen van de moderne mens – de Homo sapiens sapiens - werden in Zuid-Afrika gevonden. Vanuit Zuid-Afrika verspreidde de mens zich over de rest van de wereld waar verschillende groepen zich afzonderlijk van elkaar verder ontwikkelden. Rond de rivier de Jordaan begon de mens waarschijnlijk voor het eerst met het bewerken van land en het houden van vee. Maar in Zuid-Afrika leefden de eerste mensen van het verzamelen van wortels, noten en ander plantaardig voedsel en van de jacht op wild en visserij. Ze leefden in kleine groepen die zich verzamelden rond een voedsel- en waterbron maar die zich in tijden van schaarste verspreidden over een groot gebied. Door hun bescheiden levensstijl veranderden zij het landschap nauwelijks met als gevolg dat er nu vrijwel geen zichtbare sporen van deze eerste Zuid-Afrikanen zijn achtergebleven. Op wanden van oude schuilplaatsen worden echter nog steeds oude schilderingen aangetroffen die gedateerd worden vanaf 27 000 jaar geleden.

De Khoisan staan bekend als de meest directe afstammelingen van de eerste bewoners van Zuid-Afrika. Eeuwenlang leefden de San in kleine groepen als jagers en verzamelaars. De samenleving van de Khoikhoi verschilde van die van de San doordat de Khoikhoi vee hadden weten te vergaren. Veebezit was een eerste vorm van eigendom die maakte dat een Khoikhoiman met een beetje handigheid en geluk een bepaalde mate van rijkdom kon vergaren. Deze vorm van rijkdom gaf mannen de mogelijkheid om macht uit te oefenen op anderen waardoor de eerste grote politieke eenheden ontstonden. Het vergaarde vee werd overgedragen volgens de bloedverwantschap in de mannelijke lijn waardoor zoons verder konden bouwen aan het kapitaal van hun vader. Privé-eigendom van grond bestond niet en bovendien was het niveau van de technologie zo laag dat het moeilijk was jezelf te onderscheiden van je buurman op grond van bezit van tastbare voorwerpen. Uiteindelijk draaide de samenleving om het vergaren van zo veel mogelijk vee en volgelingen. Het gezag van een heerser hing af van zijn bezittingen, en verdween als die bezittingen werden vernietigd of door vijanden werden afgepakt.

De ontwikkeling van de veehouderij ging vooraf aan de landbouw. Ergens tussen 2000 en 3000 jaar geleden verwierven mensen ten noorden van Zuid-Afrika schapen en ander vee waarmee ze zuidwaarts trokken in de richting van de Kaap. Deze groep arriveerde in de loop van de eerste eeuw van onze jaartelling in Zuid-Afrika en is dus ten opzichte van de Khoisan een relatief jong volk in het land.
Deze veehouders spraken voor zover bekend is een van de Bantoetalen. Dit is een tak van de Niger-Kongotalen, de grootste taalgroep in Afrika waarvan talen gesproken worden vanaf Senegal tot de Kaap. Een paar eeuwen na de komst van het vee begonnen mensen ook landbouw te ontwikkelen in Zuid-Afrika. Met de komst van landbouw en veehouderij begon de mens ook langzaam het landschap aan te tasten. Men raakte meer gebonden aan een vaste plaats waardoor steden ontstonden en daarmee ook de behoefte aan een grotere samenleving.

Er ontstond een duidelijke werkverdeling tussen mannen en vrouwen. Volgens volksbijgeloof waren vrouwen gevaarlijk voor het vee waardoor zij niet met het vee mochten werken. Dit had als direct gevolg dat het voor een vrouw onmogelijk was om kapitaal te vergaren. Vrouwen waren verantwoordelijk voor het meeste werk op het land en het verzamelen van eten en brandhout. De mannen hielden zich voornamelijk bezig met het vee en het verwerken van producten als zuivel en leer. Vrouwenwerk was lichamelijk zwaarder dan dat van mannen en ging ook het hele jaar door.
Het belangrijkste instituut in deze agrarische samenleving bestond uit de bruidsprijs – ‘lobola’ (Nguni-talen) of ‘bogadi’ (Sesotho en Setswana). Wanneer een vrouw vanuit haar geboortefamilie naar de familie van haar man verhuisde moest de echtgenoot aan de familie van de bruid lobola betalen. Deze bruidsschat diende ter compensatie voor het arbeidsverlies waarmee de familie van de bruid te maken kreeg door haar vertrek. Vanaf dat moment maakte zij deel uit van de familie van haar man, zelfs als hij doodging. Het huwelijk werd gezien als verbintenis tussen twee families en vrouwen hadden niet veel in te brengen over de partnerkeuze.

Deze strategie werd ook toegepast door vorsten. Met de komst van de Bantoetalige immigranten uit het noorden waren monarchistische bestuurssystemen meegekomen die berustten op de bloedband. Wanneer een vorst echter niet succesvol was konden zijn volgelingen besluiten een andere leider te zoeken. Een succesvol vorst vergaarde veel vee waardoor hij veel vrouwen kon betalen. Op deze manier verbond een vorst veel families aan de zijne en creëerde hij een grote groep volgelingen. Het vee werd vervolgens ondergebracht bij deze volgelingen die er voor zorgden in ruil voor een deel van de producten die de dieren opbrachten. Mensen bepaalden deels zelf van welke vorst zij onderdaan waren. ‘Stammen’ zijn dus eigenlijk niets meer dan politieke eenheden die onderhevig zijn aan verandering en maar deels afhankelijk zijn van een bloedband. In Botswana zeggen ze dan ook: ‘Kgosi ke kgosi ka batho’ – een vorst is pas vorst door zijn volk.

De belangrijkste taak van de heerser was de welvaart van de gemeenschap behoeden. Dit was voornamelijk afhankelijk van regen. Een heerser moest ervoor zorgen dat er voldoende regen viel zodat de gewassen konden groeien en het vee en de mensen konden drinken. Wanneer de regen uitbleef werd de schuld gezocht bij heksen die gestraft moesten worden om de harmonie weer te kunnen herstellen. Heksen moesten uit de samenleving worden verwijderd of ter dood veroordeeld worden. Dit gebeurde echter pas wanneer de situatie volledig uit de hand was gelopen.

De Zuid-Afrikaanse samenleving zoals deze bestond voordat de kolonisten in de Kaap aankwamen, bestond dus uit een drieledige bevolking. De twee oudste groepen waren de San en de Khoikhoi. De San leefden als jagers en verzamelaars, en de Khoikhoi waren voornamelijk veehouders. Als derde groep waren er de Afrikaanse immigranten uit het noorden die de Bantoetalen spraken. De contacten tussen de groepen waren groot, wat ook terug te zien is in het ontstaan van veel dicht bij elkaar liggende talen. Over het geheel genomen kun je zeggen dat de Afrikaanse samenleving al verdeeld was toen de Europeanen in de zeventiende eeuw voet aan wal zetten.

Bronnen en verder lezen
  • Ross, Robert (1999) A Concise history of South Africa, Cambridge. Ned. vert. Zuid-Afrika: een geschiedenis. Amsterdam z.j. Vert. Hans van Cuijlenborg.
  • Thompson, Leonard (1994) A history of South Africa. New Haven/London.
Meer over dit onderwerp
Bosjesmanvrouwen. Bron: Zuid-AfrikahuisBosjesmanvrouwen. Bron: Zuid-Afrikahuis
X
Loading